Labyrinth
|
|
|
|
English
Droom
|
|
|
Objecten (Symbolen)Het eerste object is eigenlijk de entourage waarin de droom start (voor zover ik het mij kan herinneren): een kamer in een appartement of hotel, en er zitten muizen (die horen bij het gebouw), en wij (de subjecten) hebben onze kat mee. Een dagrest kan als volgt zijn: ik loop naar het kiekenskot achteraan in de hof, en zie bij het binnenkomen een muis wegvluchten. De kat is al dikwijls met een muis in zijn bek komen opdagen... Het is aldus een cluster van herinneringen uit het recente verleden dat de scène kan oproepen in de droom; de studenten zitten momenteel ook te studeren op hun kot die dan een kamer is, en mét muizenissen aan hun hoofd. Dus, ik zit met mijn normale entourage van mensen en beesten een stukje bewustzijn op te bouwen rondom een probleemstelling (en of dat een verlangen of een frustratie is laten we voorlopig in het midden). Het is interessant om te zien welk object de kwaliteit subject kan verkrijgen en welk niet. In een voorgaande droom werd de miniauto (tank) plots uitgerust met een elektronisch brein, en nu beginnen de objecten (de beesten) het conflict uit te vechten alsof het een stuk van mijn eigen innerlijk gevecht zou zijn (in mijn droom). Het is ook duidelijk dat ik de muis niet echt wil doodslaan... stel dat ík de muis was nietwaar? Misschien is het onderscheid tussen object en subject dynamisch van aard: ik besta uit een verzameling sub-subjecten [ventjes(m/v)] én een hoeveelheid objecten (symbolen) buiten mijn temporele ik die dan mijn omgeving constitueren, mijn ik beschrijven van hoe ik mij voel(de) in de met objecten beschreven omstandigheden, waarbij moet aangemerkt worden dat die omgeving in de droom een mix is van in de realiteit beleefde ervaringen als levende persoon, met eventuele overdrijvingen en onderschattingen zoals het de droom uitkomt. |
![]() |
De muis is plots versuikerd snoepgoed... Versuikeren heeft voor mij verschillende betekenissen. Karamellen kunnen versuikeren, 't schijnt. Honing kan dat alleszins: de in de plastische massa opgeloste suiker kristalliseert dan uit. Mijn moeder gebruikte het woord voor snoepjes die te oud waren geworden en er 'versuikerd' uitzagen: niet meer goed dus. Je kunt ook de dragee versuikeren, of met een laagje suiker bedekken, zodat die niet meer slecht smaakt bij het inslikken. Als ik de muis wil doodbijten, moet ik mijn agressie ook maar liever besuikeren zoals mijn vader altijd deed met zijn kwaadheid; en ook met zijn beesten dooddoen: hij liet ze slachten door een ander (zijn duiven bijvoorbeeld). A propos, robijnen van het roodste rood hebben de schijn van duivenbloed. De associatie roze (muis) en kristal (suiker) heeft er allicht iets mee te maken. Het symbool "besuikerde roze muis" is dus behoorlijk gecondenseerd, met een verschuiving (verbloeming) van de agressie. Condensatie en verschuiving zijn heel gekende fenomenen in de droom (en het onbewuste in het algemeen). |
![]() |
Het object 'auto' staat voor iets technisch. In de context van wat er voorheen is gezegd over sequensen en het 'gaan' van de éne scène naar de andere in de droom (of het bewustzijn) zou het autosymbool het vervoermiddel kunnen zijn om naar iets 'technisch' over te stappen, en dat is dan een oude TV of radio of luidspreker: direct naar mijn vroege jaren waar ik nogal wat interesse aan de dag legde voor dergelijk materiaal (naast zoveel andere dingen). Mijn vader heeft ook eens een kastje van een oude radio (dat ik had gebruikt voor het inbouwen van een luidspreker) geverfd. Ik heb er voorheen al over geschreven, en hij was er erg fier op - en ik niet content... In de hogeschool hebben we een eindwerk gemaakt (elektronisch) in een groot frame, en we noemden het een konijnenkot - om even weg te dromen van het kiekenskot van daarpas en toch in de buurt te blijven. Het lijkt alsof het ene symbool het andere voor de dag haalt. De condensatie van het materiaal wijst op het feit dat symbolen gecategoriseerd worden in aanverwante clusters die elkaar gedeeltelijk overlappen. Of ook nog: dat elk symbool een prototype heeft met een hele boel aanverwante rommel er rond, zoals verder in de droom blijkt uit het met oude platen omgeven lessenaarsdak. Of ook nog: dat elk symbool verbonden is met vele andere symbolen langs de meest onwaarschijnlijke wegen - wat wil zeggen: langs toevallige radio-uitzendingen die qua ruimte en/of tijd in elkanders buurt hebben plaatsgevonden. De onderverdeling met verbindingen wordt dus schijnbaar gemaakt aan de hand van gemeenschappelijke kenmerken (visuele, auditieve, ..., gevoelsmatige) én door ruimtelijk/temporele samenhangen. Het landschap met symbolen bevat kernen (prototypes) die als kiemkristal kunnen dienen waarrond de rest van de structuren kunnen gevormd worden (versuikeren). Een mooi voorbeeld dat bij deze tekst schijnt te passen: mijn vrouw ziet mijn oudste dochter bezig met haar zoontje van ca 1 jaar. Het kind weent om een of andere reden, en is niet tevreden met zijn tutter. Lieve doopt de fopspeen in de honingpot (nog niet versuikerd spul) en dan in de mond van mijn kleinzoon: hij had het blijkbaar nog nooit meegemaakt... en zijn geween hield ogenblikkelijk op, terwijl zijn gezicht stomme verbazing uitdrukte, en zijn zuigactiviteit duidelijk een nieuwe wending aannam. Ik noem het een AHA-ervaring van het zuiverste water, niet in de zin van "nu snap ik het ineens", maar van "Waaw". De smaak van honing zal in zijn symbolenboek staan zoals de smaak van witte chocolade en kersen voor mij: hij zal die nooit meer zo nieuw, vers, uitstekend, wonderbaarlijk en heerlijk vinden als deze eerste keer die hij zich waarschijnlijk ook nooit meer zal kunnen herinneren. |
|
Bonnetjes zijn heel speciale voorwerpen. Het is een overgang van symbool naar pointer (beeld naar taal), en beschikt over ingebouwde magie. Het bonnetje is direct gelinkt naar de identiteitskaart die mijn vader gaf aan zijn duifjes (en niet aan mij), en met de papiertjes die hij nog altijd op zak had voor het geval hij 'gevat' zou worden door de vijand binst de oorlog (goed gedrag en zo, ondertekend door de burgemeester van Knokke). Het is een voorwerp van heel uitzonderlijke waarde, verkregen uit de gemeenschap door noeste arbeid (of zo iets) en in te ruilen tegen een ander voorwerp of bescherming. Het hoort bij de meester-slaaf relatie, is een soort vrijbrief. Het hoort bij het lidmaatschap van de club: je bent er bij of niet. Het vervangt een som geld en wijst naar stront: de eerste cadeautjes van het kind aan zijn moeder (in mijn geval aan mijn grootmoeder - mijn moeder moest van mijn geschenkjes niets hebben). Het is het label dat op mijn kop staat en toont aan de mensen dat ik daar voldoende taks heb voor betaald (de vier takszegels...). Het is mijn diploma dat mij toelaat een beroep uit te oefenen, muizen te vangen en auto's te kopen (mij vloeiend te bewegen in deze wereld). Het handgeschreven papiertje doet mij uiteraard ook denken aan de inktpot bij meester Gilbert en zo, waar we onze ballonpennetjes in moesten dopen: een wit porseleinen inktpotje in gat middenin de lessenaar dat regelmatig gevuld werd met een grote fles men een giettuitje op dat door de kurk was geboord. Het is tegelijk een heerlijk en een gruwelijk voorwerp, en het is ook gelinkt aan andere potjes die ik ooit nog zelf gedraaid heb maar nooit heb kunnen evenaren in waarde en schoonheid... De kern zit ergens in een speelbakje met een tol en gedraaide kegeltjes als wankele schaakstukken dat bij nonkel Wise te vinden was op een keer (een toptafel): hij moest het herstellen voor een rijke meneer, en we mochten er één keer op spelen. Zijn zoon White natuurlijk enkele keren meer, wegens hoger in rang. Het tolletje zwiepte de stukken een voor een omver, verdween soms in kunstig uitgesneden nisjes, kwam er weer uit gewiebeld en maaide nog een laatste pion tegen de vlakte... "Waaw". De hoge waarde die eraan werd gegeven, de voorzichtigheid waarmee het werd behandeld, de specifieke houtgeur, en vooral de aperte onbereikbaarheid van het toestel, bleef samengebald in mijn maag hangen als een oneindige teleurstelling over mijn bescheiden afkomst. Pikant detail: in het Frans is een toptafel 'table à toupie', en dat betekent ook een freestafel, gemeenlijk toupie genoemd in Knokke, maar nonkel Wise, die er uiteraard een had, noemde het een top. En dat was een gevaarlijke machine, waar ik moest 'ver vandaan' blijven. Nonkel Leo had er ook een, en die mocht alleen worden aangezet door de zoon van zijn broer - die kon dat veel beter; of liever: die alléén kon dat, en niemand anders (van de kinderen van heel Knokke en omstreken). Een toptafel is een spel voor rijke en machtige mensen met veel verstand en gevoel in hun lijf, en ik moet daar met mijn vuile vingers afblijven. Sterk symbool om gefrustreerd naar te zitten verlangen, vooral de gedraaide pionnetjes die moesten recht gezet worden, en die dan omver vielen als je aan het koordje had getrokken... (maar dat wist ik toen nog niet). |
![]()
|
De lessenaar waarin de inktpot ontbreekt, en die veel mooier gepolitoerd is dan die waar wij nog in gezeten hebben (na de Tweede Wereldoorlog). Op de foto te zien kan de klep van de lessenaar niet open, maar er is wel degelijk een bakje onder, met een opening naar de zittende leerling toe, om boekjes en schriften en een regel en pennenzak in te schuiven - en rommel. Het meest recente lessenaarsdak in mijn geheugen hebben wij gekocht begin jaren 90, als onderdeel van ons huis: een oud kippenhok achter een vervallen varkensstal. Het stond inderdaad vol rommel, in de zin van niet direct bruikbaar materiaal, en allemaal kris kras door elkaar. Pikant detail weeral: vóór het hok staat op de foto een in wit doek gedrapeerde draaitafel (om potten te draaien): een schopschijf waar ik zelf een motortje had op gemonteerd. Ik merk de eigenaardige sprongen in mijn droom: van de gepolitoerde radio en de top naar de lessenaar en het kippenhok met de draaitafel (top?) er juist naast - te verkommeren in regen en wind bij gebrek aan plaats binnen. De tafel werd gemaakt in het atelier van nonkel Wise, door de nonkel in kwestie... en ik had mogen moeten meehelpen deze keer. Het lijkt op een willekeurige associatieketen, maar is dat dus allerminst! Voor het verbouwen van de koterij hadden wij ook een papiertje van de stad (het goedgekeurde bouwplan) mét zegeltje en stempels. Voila. Waarschijnlijk geeft de droom naast een verlangen de teruggespoelde geschiedenis weer (regressie en terug van weggeweest) om via een nieuwe synthese een uitweg te vinden uit het labyrint. Oudere lessenaars (ca 9 jaar) zijn te vinden in het koolkot in de Keuvelhoekstraat: daar speelden wij (mijn kozijn White en ik) veelvuldig, het had een lessenaarsdak in eterniet golfplaat, én, twee compartimenten! Een linker voor eieren (samengeperste slam*) en een een rechter voor cokes, én, de kolen waren opschepbaar doorheen een opening als bij een kippenhok... Bovendien waren de huizen waarin wij woonden spiegelbeeldig symmetrisch gebouwd, en er waren dus twee zulke koten tegen elkaar aan gebouwd (rug tegen rug)... en het resterende stukje tuin liep aan weerszijden door (één tuin?). Een nog ouder (ca 4 jaar) lessenaarsdak was er in de Judestraat: daaronder deed ik mijn eerste exploraties op seksueel vlak samen met Elian, met mijn tante Bollie direct op ons dak om de betreffende activiteiten te onderbreken en te vervangen door eminente straffen en navenante schuldgevoelens. In de Judestraat woonde mijn grootmoeder links (warm) en wij rechts (koud), in twee huizen met één tuin. *Nog een interessant detail: mijn grootmoeder gebruikte veelal slam als stookmiddel, en dat is een soort kolenstof vermengd met hele fijne stukjes steenkool, eigenlijk gedroogd slib als nog verkoopbaar afval uit het wasproces van gewone steenkool... kolen voor arme mensen zeg maar; en dat gaf in mijn fantasie veel warmte. Het lag trouwens achter een groen geschilderde boerendeur met een oud hendelslot, naast de werkbank van mijn grootvader (die schrijnwerker was...). |
![]() |
Tudordeuren hebben een korfboog met een extra toppuntje (op de tekening een beetje overdreven). De deur is een opgepoetste versie van de koolkotdeur waar mijn grootvader ook een soort 'atelier' had gemaakt, en die ik van in mijn heel vroege jeugd heb opgenomen als de werkplaats van de stafhouder. Het is de toegang tot de centrale plaats in het labyrint. De links-rechts opdeling is in het licht van het voorgaande voldoende duidelijk - die komt trouwens ook voor in de droom over de loge in het spiegeltoneel van vorige pagina. Daar is ook een deling van achter tegenover voor, niet zoals hier. Aan de ingang zijn er twee mogelijkheden, en vooraan is er slechts één toneel of living. Het is wel de eerste keer dat de tweedeling links-rechts zo duidelijk gelinkt is aan de huizen van mijn grootmoeder en mijn moeder (de mannen zijn altijd gaan werken, en hebben trouwens toch niets te zeggen). Links, bij mijn grootmoeder, was de speciale deur, waar ik nu een toppunt aan verbind en een antiek slot op plaats - die zijn haast niet meer te vinden... handgemaakt spul trekt waarschijnlijk op niets en is bovendien niet goed genoeg meer in deze moderne technische wereld. Enfin, ik maak er in de droom een prachtige deur van, die toegang biedt tot antieke pracht met gewelven en witkalk - die zonder meer uitkomt aan de andere kant van de wereld waar niets te beleven valt. Rechts, bij mijn moeder, was er een klein keldertje onder de trap, en het was er muffig en beschimmeld. De ijzeren baren vond ik in de kerk, om het gewelf samen te houden; laatst heb ik er nog over nagedacht: de gelovigen kijken allen naar de muur (vroeger), samen met de pastoor. Nu kijken ze al een beetje naar elkaar, maar veel is er niet veranderd: God is nergens te vinden, behalve op de muur achter het altaar. God loopt dood achter de hoek in mijn droom, naast de beschimmelde muur, onder de smalle gewelven die niet eens ijzeren staven nodig hebben om te blijven staan: allemaal fake. Eigenaardig detail: in het labyrint is het alsof het niet gaat om via de binnenplaats van rechts naar links te gaan - uit de heerlijkheid van het midden te komen; alles leidt naar rechts. Een mooi symbool voor weerstand. Er is nochtans een klink aan de binnenkant van de deur ook... maar nonkel Nessie houdt die graag dicht om mij op te sluiten, of om muizen in de vuilbak dood te knuppelen. |
![]() |
Subjecten [ventjes(m/v)]In mijn verleden hebben tante Bollie en nonkel Nessie zware ijzeren staven geplaatst tussen mij en mijn interesse voor lekkere zachte roze muizen (in de gedaante van Elian's genitaal, onder het oude lessenaarsdak). Ik word er momenteel mee geconfronteerd in de persoon van Lieve, die er meppen op geeft, en in mijn onvermogen het kloppende hart te verbrijzelen, én in mijn goesting om er in te bijten. Vroeger heb ik nog de mening geuit dat alle figuren in de droom stukjes zijn van mezelf: omdat ze voorkomen binnen mijn voorstellingsvermogen. Een meer gedifferentieerde visie dringt zich echter op bij het maken van het onderscheid tussen objecten (symbolen) en subjecten [ventjes(m/v)]. Ik neem als voorbeeld de kat en de muis. Muis. Mijn eerste herinnering aan muis is van toen ik er een gevangen had in een ingestort kot achter in de tuin van mijn grootmoeder. Ik hield hem/haar in een holte tussen mijn twee handen en kon er door een gaatje naar kijken. Hoe ik het beest gevangen heb weet ik niet, maar wel dat ik er fier als een gieter mee naar binnen stapte om het te tonen aan mee en de koninginnen. De laatste vonden het beest vies en smerig en gevaarlijk ('t zou wel eens kunnen bijten) en ik moest het dooddoen, doodgooien tegen de muur achter in de tuin, waar ik het gevonden had, en rap ook. Ik heb het heel zachtjes dood gesmeten, zodanig dat het direct onder het puin kon wegvluchten. Het was een heel bizarre ervaring van contact met warm kloppend leven en de reactie van koel en angstig afwijzen. Aangezien ik niets kon weigeren zonder zelf dood te vallen van schuldgevoel, moest ik dus gooien - maar ze hadden niet gezegd hoe hard nodig was voor het veroorzaken van de dood... Het was een eersteling voor mij, een prototype, voor muis en tegelijk mijn eigen verlangen tegenover het kloppend hart van een ander én mijn ambigue gevoelens tegenover de vrouwen die mij het bevel gaven dat verlangen te negeren en zelfs te doden, terwijl ze de mond vol hadden over hoe erg het was dat mijn grootmoeder een hartziekte had, én, terwijl mijn grootmoeder blijk gaf van het hebben van een hart en de koninginnen er waarschijnlijk géén hadden en de poten van hun lijf liepen om te zorgen voor het gebroken hart van hun moeder. Het moment van gooien is er een van opperste vertwijfeling en wanhoop, het mij neerleggen bij het gebod van de Godin, en tegelijk de weigering mij neer te leggen bij datzelfde gebod: het was niet mogelijk te kiezen voor het één of voor het ander, een compromis van mossel noch vis, van veranderen in een bange muis die na de klap zich stilletjes terugtrekt in het puin van het kot van verlangen dat er ooit stond. Waarschijnlijk hadden ze in de omgeving wel al meer dan een keer gesproken over muizen en wat er allemaal van aan was: ongedierte dat ziektes verspreidt en overal zit waar het niet moet zitten en kaas eet en spek. Een muizenval had ik waarschijnlijk ook wel al gezien, met de mededeling dat het een muizenval was toen ik er eentje vond, of toen ze er ergens eentje neerzetten. Dat weet ik niet meer. Hetgeen mij opvalt, is dat de naamgeving "muis" in mijn herinnering staat als het samenvallen van het woord dat ik kende van horen zeggen met het beest zelf in interactie met mij als persoon (van persoon tot persoon): waarschijnlijk was het label er eerst, vóór het symbool als representant van het beest (met alle kenmerken eigen aan het object) en vóór het ventje(m/v) dat geboren werd op het 'moment' toen - eigenlijk de sequens tussen het zien, vangen, tonen, zien van afgrijnzen op de gezichten en terug weggooien van de muis, gekoppeld aan de synchrone reeks gevoelens van verwondering, spanning, fierheid, geïnduceerde angst, vernedering, vertwijfeling, overgave, wraak en schuldgevoel. Het lijkt op het kiemkristal voor de vorming van een neurotisch symptoom: de muis (met alles erop en eraan) die verdrongen wordt onder het bewuste puin van de gebeurtenis, in de diepte van het onbewuste, alwaar hij/zij kan blijven woelen om later langs mijn oren terug uit te komen. Muis is dus een object dat omschreven wordt door het label (woord) muis, en dat van alles kan zijn wat er over gezegd kan worden en tegen mij ooit gezegd is - en alle combinaties die ik daar zelf mee kan bedenken en verder kan inpassen in andere zinnen als metafoor of wat voor creatiefs dan ook. De labels 'muis' wijzen naar woorden die er mee in verband werden (worden) gebracht, en zijn aldus pointers. Pointer to pointer communicatie over muizen is zeer wel mogelijk, als ik nog nooit een muis heb meegemaakt in levende lijve, m.a.w. als ik nog nooit een symbool (imaginair in de termen van Lacan) heb geïnstalleerd omtrent muis. Ik kan natuurlijk een tekening hebben gezien, of een foto, of een filmpje, of een muizenvel hebben aangeraakt, of muis hebben gegeten in een restaurant... Misschien kan ik het symbool dan virtueel noemen? Alles is mogelijk, en het duidt ook aan hoe onberekenbaar pointers kunnen zijn, en hoe pointercommunicatie zonder wederzijdse uitwisseling van informatie omtrent gevoelsinhoud (duiding van de symbolen) misleidend en verwarrend kan zijn. "Moeten wij daar dan altijd mee in ons achterhoofd lopen?", vroeg er mij onlangs iemand... Wel ja, en liefst in ons voorhoofd, want anders praten we langs elkaar heen. Mijn tweede muis in rij is deze die Nonkel Nessie heeft doodgebezemd in de vuilbak. Ik stond er bij en keek er eventjes naar en moest dan onverwijld walgend weglopen om de daad van agressie niet te moeten ondergaan. Het was de bezegeling door Nessie van wat ik daarvóór niet had kunnen voltrekken, het doden van wat al dood en begraven was maar toch nog leefde in het onbewuste. Waarschijnlijk had ik die gevonden in de vuilbak, ik weet het niet, en kon het niet laten daar over te vertellen? In ieder geval zie ik enkel de muis in de bak en daarna de bloeddoorlopen hatelijke ogen van degene die zich verlustigde aan het doden van het stuk dat toen al deel uitmaakte van mijzelf. Als de kat een muis vangt (nu), kies ik zo veel mogelijk de kant van de muis - maar ook niet consequent, omdat ik weet dat ik er anders binnen de kortste keren vijfhonderd zal hebben in ons kiekenskot, en dat ze alles zullen binnenspelen wat er te vinden valt... De derde echte muis liep jaren later (toen ik een jaar of tien was) over de arm van tante Ache, die gillend wegliep en de bloempot met stro (omgekeerd geplaatst op een stok om oorbeesten te vangen tussen de Dahlia's) wegsmeet alsof ie in brand stond. Ik moest er vreselijk om lachen: eindelijk wraak op de koningin verschoven in de persoon van een andere tante. De kracht van de muis gedemonstreerd tegen de vrouw bij wie het allemaal zo goed en mooi en duur en onberispelijk was en die mij (ons) daar graag mee om de oren sloeg, en die wij (ik, vader, moeder) telkens opnieuw toelieten om dat te doen. In die tijd speelden we soms met muizen in het veld, met een heel nest waar pas geboren jongen in zaten bijvoorbeeld - en we lieten ze dan weer lopen. Bij het prototype muis (de eerste) zijn er uiteraard nog veel details en latere ervaringen bijgekomen. Eigenlijk moet ik besluiten dat muis kan gezien worden als symbool met een label, en als ventje(m/v) dat de bewuste ervaring heeft opgedaan met muis als object, én als ventje(m/v) dat werd geïncorporeerd als verdrongen representant van mijzelf als gebroken man (gecastreerd verlangen), dat dus deel uitmaakt van mijn onbewuste subject. Het geheugenspoor muis heeft dus een complexe structuur met een label (met een eigen geheugenspoor). Het symbool kan het object vertegenwoordigen zoals ik het in de geschiedenis heb opgebouwd rond het prototype, en kan ook het subject vertegenwoordigen zoals ik mij heb gevoeld in de opbouwende sequensen uit het verleden, zowel bewust als onbewust, en heeft bovendien door de geschiedenis zelf een heel netwerk aan verbindingen (associaties) met andere symbolen die eventueel kunnen versmelten tot een nieuw symbool in dromen, taal, mijmerijen... Het interessante aan dit verhaal is dat het belang van het prototype in de verf wordt gezet: het komt altijd opnieuw te voorschijn en blijft de eerste gevoelens voor eeuwig behouden. Besluit: de muis is een object met een subject dat als sub-subject deel kan uitmaken van mijn bewuste ik. Als het een object is, determineert het mijn omgeving (medium), kleurt het mijn ik en mijn discours. Als het een subject is maakt het deel uit van mijn medium, en kan ik er mee in contact komen - al dan niet geprojecteerd op een ander. Als het een sub-subject is maakt het na kennismaking deel uit van mijn ik als naïef object: ik heb er geen zicht op omdat ik er mij voor een stuk mee identificeer - omdat het mij gedeeltelijk en automatisch bepaalt. In de droom komen de drie standpunten tegelijk voor: ze zijn er alle drie uit af te leiden. Het heeft dus geen zin om te spreken over object en subject, maar het is wel zinvol om er in die termen te kunnen over spreken - anders moeten we er over zwijgen. |
|
Kat Ik moet minder dan vier jaar zijn geweest, vóór we naar de Keuvelhoek verhuisden. Natuurlijk had ik al katten gezien, en er over horen spreken met het betreffende beest in de buurt: er was een visueel symbool en een talig label aanwezig in mijn (voorbewust - bewust) geheugen, maar ik was er nog nooit lijfelijk mee in aanraking geweest. De gebeurtenis die kat een diepere en in gevoel verankerde betekenis heeft gegeven was niet zoals bij de muis, door het beest bijvoorbeeld vast te nemen en/of te strelen, neen, het was toen mijn vader er naast schoot met zijn geweer (dat eigenlijk een karabijn was, van licht kaliber). Er stond een geweer in de ingemaakte kast in de keuken, van toen het nog oorlog was (net na 1945). Mijn vader was dus duivenliefhebber en was kwaad op een kat uit de buurt die (waarschijnlijk) een van zijn jonge duiven opgepeuzeld had, zo kwaad dat hij het kreng zou doodschieten als het nog eens in de tuin durfde komen. Het moet weer eens gebeurd zijn, en/of, de kat moet het gewaagd hebben om in de tuin te komen (over de muur zeg maar), enfin, mijn vader wit van colère tegen de kat die zichzelf verborg onder een gebogen roestig stuk golfplaat boven een of andere stenen constructie achter in de tuin - het was als een altaar met een scheef dak en rommel er onder. Gebogen golfplaat werd blijkbaar gebruikt in loopgraven, en zullen in vader's ogen oorlogzuchtige gevoelens opgewekt hebben. Mijn vader nam dus zijn geweer uit de kast, stopte er een een kogel in, hing hurkend zitten mikken (met mij vlak daarnaast tegen hem aan) en schoot. De kat stoof van onder de plaat de muur over. Verdomme, ernaast. We gingen kijken naar de golfplaat, en er was een gaatje in waar er voordien geen was geweest; vader voelde aan het gat om zich ervan te vergewissen of het wel echt was. Het is ook alsof hij zei dat hij de kat niet zo goed kon zien in het donker onder de golfplaat en dat dit de reden was voor het ernaast schieten. Mijn moeder komt er ergens bij te pas. Ofwel vóór het schot, of binst of erna, maar in ieder geval maakte zij bijna meer kabaal dan het schot zelf. Mijn vader moest absoluut dat geweer wegdoen. Wat zouden de buren zeggen, als de kat was geraakt? En misschien werd er wel een mens getroffen, of gebeurden er op een andere manier ongelukken. De politie zou vader in de bak draaien voor zijn onverantwoord gedrag... Het geweer heb ik nooit meer gezien. De gevoelens die er bij mij aan te pas kwamen toen, zijn van velerlei aard intensiteit. De kwaadheid van mijn vader was opwindend en angstwekkend. Eigenlijk was hij om zo te zeggen nooit kwaad, en nu dus wel, en het was duidelijk niet op mij. Er was een vuile smerige ros van een kat die duiven om zeep hielp - en dat kon dus niet; dus, we moesten stoer ten strijde trekken om het onrecht uit de wereld te helpen. Een stuk fierheid over de kracht van mijn vader en een poging tot identificatie. Alles wat hij kon, wilde ik ook kunnen (in het leger was ik dan ook echt scherpschutter naast nog een paar andere dingen: ik schoot er altijd op, recht in de roos). Het gezeur van mijn moeder hield ik niet voor relevant, want mijn eigen vader negeerde haar klaaglied. Eindelijk. De smerige kat was dus een zegen op dat vlak: hij ging mij tonen hoe het moest. In de hitte van de strijd is er spanning met ingehouden adem; aanleggen en vuren, vooral heel stil zijn: om het doel niet te verjagen en om de schutter niet de doen wiebelen met mijn gewrikkel - stil wezen dus. En dan "BANG": zoiets had ik nog niet gehoord en nu dus wel. Het maakte mij niet bang of aan het schrikken - ik had er alle vertrouwen in dat er niets kon gebeuren. Doet mij denken aan die keer dat we naar het vuurwerk gingen kijken met tante Bollie en zo, en dat die schijtwijven mij duvels benauwd hadden gemaakt omtrent het lawaai en de bulderende schoten en het vuur en weet ik veel, en dat ik een broekschijter was en zou weglopen... Ik weet niet of het vóór het geweer was of er achter. Over de kat zelf had ik geen gevoelens. Ik wist ook niet wat een kogel met een kat kon doen: had ik nog nooit gezien; het kon mij eigenlijk ook niet schelen. Ik vond het spijtig dat de kat wegliep, omdat mijn vader dat spijtig vond. Er was oprechte teleurstelling in zijn ogen, en dus in de mijne ook. De lamentatie van mijn moeder heeft de pret danig bedorven, omdat mijn vader uiteindelijk zijn hoofd boog en het geweer liet verdwijnen. Eigenlijk vond ik het niet zo heel erg van dat geweer, maar wel van de nederlaag van mijn vader tegenover mijn moeder. Het is alsof ik daar nooit boven ben gekomen, alsof vanaf dan mijn vader ophield een man te zijn waar ik wilde of kon naar opkijken. Het doet mij plots denken aan het feit dat ik jarenlang bang was voor het schietkraam op de kermis - alwaar ze dezelfde karabijnen hadden vroeger (met echte kogels). Het kan niet anders zijn als ná de kattenschieterij van mijn vader, want toen was ik helemaal nog niet bang voor geweren - integendeel. Dus, dat broekschijten gedoe van tante Bollie was een belachelijk maken van mijn angst voor het schietkraam op de kermis, én, een zichzelf vervullende voorspelling dat ik bang zou zijn van het vuurwerk. Dus, ik moet de scène met de kat en het geweer netjes verdrongen hebben, omweven met schuldgevoelens en geïnduceerde angst. "Gij zult geen man zijn", was het bevel, van de vrouwen. Ik weet niet meer of mijn Piet-operatie voor of na het geweer is gekomen, maar het was in ieder geval op dezelfde locatie, en ergens tussen mijn 2 en mijn 4 jaar, en het waren telkens de vrouwen die het mij gelapt hebben, en mijn vader die er mij niet tegen in bescherming heeft genomen - hij was zelf bang: "BANG". De kat bevestigt mijn identificatie met de muis, of, was er een inleiding voor. De twee symbolen versterken elkaar. De kat is niet iets waar ik mij mee geïdentificeerd heb blijkbaar, maar wel object van mijn affect. In de droom denk ik dat de kat bij mij behoort (omdat wij er nu een hebben), maar dat is in oorsprong eigenlijk niet zo. De kat is geen subject, maar een object - tenware het een ventje(m/v) is dat mijn eigen agressie vertegenwoordigt die is weggeschoten door de lafheid van mijn vader, en die ik sedertdien niet meer bewust ben geworden... De volgende kat die ik mij lijfelijk herinner is ergens bij een overgrootmoeder, en dat was een braaf beest; of misschien is het alleen maar een verhaal... ik dacht op zeker moment dat poezen aardige beestjes waren, aaibaar en lief. Op café, toen ik meeging op biertoer met mijn vader (> 14 jaar), liep er eens een kat waarvan ze zeiden dat het een stoute was. Ik had ergens gehoord dat je stoute katten gemakkelijk met hun staart kon oppakken, en voerde ogenblikkelijk de daad bij de gedachte. Iedereen was verbaasd, en ze zeiden allemaal tegelijk dat ik geluk had dat het monster zich niet had omgedraaid om mij aan te vallen, te krabben en te bijten. Ik zette het beest neer, en het ging gewoon weg. Ik heb nooit nog katten bij de staart gepakt: veel te gevaarlijk. Het was alsof ik mijn geweer definitief heb ingeleverd toen. |
![]() |
Na lang zoeken vond ik nog wat muisjes in de snoepwinkel. Op internet waren ze niet te vinden; blijkbaar heeft niemand er nog interesse voor. De juiste kleur ligt vanboven: roze! De waterachtige houding die ik aanneem tegenover de kat als deel van mezelf (identificatie) wijst er op dat ik het er moeilijk mee heb, dat ik het voor mijzelf niet wil toegeven. Toch is het in de droom niet anders als dat ik mij identificeer met de kat, aangezien ik (ik dus) de muis de strot afbijt in de vorm van een snoepje. Het doden wordt niet uitgevoerd, en verbloemd; het is enkel aanwezig in de mogelijkheid (zelfs niet de intentie) om het te doen, en als het dan al zou gedaan worden via de intentie, dan eten we snoep. Ook het feit dat de roze suikermuis slechts eventjes als detail wordt aangehaald, wijst er op, dat het om een belangrijke ondergrondse beweging gaat, of om een flink gecamoufleerde afdeling van de administratie - de geheime brigade zeg maar, of de weerstand. Hierbij moet gedacht worden aan de weerstand tegen de bezetter binst de oorlog (die gebruik maakte van lichte wapens en sluikse acties) en tegelijk aan de weerstand die door het organisme ontwikkeld werd om de magie te beschermen tegen doorzichtigheid (glasnost: Gorbachev heeft er ook zijn broek aan gescheurd). Wat kan er gebeurd zijn? Er zijn een aantal gebeurtenissen in dezelfde tijdspanne, en dat zijn op zich allemaal geen echte trauma's. Daar is de poes van Elian, of, de roze muis zeg maar, die genadeloos wordt afgestraft door Bollie en de vader van Elian (die haar verplicht hetzelfde te doen voor hem als dat ze gedaan heeft voor mij: haar broek afdoen); daar is mijn vader die naast de poes schiet en mijn moeder die zijn geweer afpakt; daar is ook mijn belangstelling voor het kloppend hart van de muis en van mij bij het krijgen van een kik. Zo ook mijn bezoek aan het duivenkot van mijn vader via de ladder, toen ik nog niet eens goed kon lopen, gepaard aan de 'bezorgdheid' van mijn moeder en het ontdoen van mijn vader van zijn verantwoordelijkheid voor mij. Mijn identificatie met de muis is duidelijk, maar met de kat niet. Ik stel mij het volgende voor, dat zich in de loop der jaren aaneengesmeed heeft in mijn geest: ik sta naast mijn vader, hongerig om zijn geweer te mogen hanteren (nu of in de toekomst); hij schiet op de kat, die nog een object is ginder ver onder de verroeste golfplaat, maar mist, verliest zijn kracht aan mijn moeder en verdwijnt in de mist van de weerstanders. Vanaf dan heb ik geen vader meer. Mijn verbeelding vliegt uit de loop van mijn vader's geweer naar de kat toe, kijk het beest in de ogen en vlieg er vlak tussenin, de kop van de kat binnen; verbijsterd kijk ik door het gat in de golfplaat naar mijn vader met mij daarnaast, en vlucht in hevige pijn weg vanonder mijn schutting de muur over: uit het zicht van de vijand. À la guerre comme à la geurre. Als er geschoten wordt, moet ik mij noodgedwongen aanpassen. In plaats van mijn geweertje trots aan de muur te etaleren, moet het in de beschimmelde kelder (loopgracht), wordt het door de turbulente omgeving netjes verdrongen naar onbewuste gebieden: de kater vlucht weg om slechts toe te slaan als niemand het nog ziet, en ik ook niet. Het wordt een problematisch beest. Op café trek ik aan zijn staart - en dat heb ik sedertdien ondergronds moeten doen; en er was geen enkele pastoor in staat om mij er toe te brengen het nog een keertje openbaar te doen: er voor uit te komen dat het 'niet slecht' was, dat er geen duivels aan vastkleefden, en dat ik er niet direct naar de hel ging voor gaan. God had het systeem officieel gemaakt voor eeuwig en altijd. |
![]() |
Nog een mooi voorbeeld van kat en vader en moeder: in de Keuvelhoek had mijn vader natuurlijk ook weer duiven, én, daar in de omgeving, voorbij de muren van de tuin (van toch wel 2 meter 40 hoog), leefden ook smerige katten die verzot waren op de jongskens van mijn vader. Om de moordenaars van den hof te houden had mijn vader een prikkeldraad gespannen op tien cm van de muur, ongeveer 20 cm onder de bovenkant ervan: wegversperringen. Het hield de kat niet buiten, maar wel binnen: die kon er ondanks hardhandige aansporingen niet meer uit. Mijn vader had een levendige belangstellig voor alles wat met de 2e wereldoorlog te maken had. Hij verzamelde literatuur over jodenvervolging, concentratiekampen, gruwelen enfin. De vraag stelt zich ook hier of het object van zijn belangstelling al dan niet ook het subject was waarmee hij zich kon identificeren, en of het dan aan de kant van de soldaten was of aan de kant van de slachtoffers. Mijn droomkat weet het ook niet zo goed: als er twee muizen tegelijk opduiken, weet die niet meer waar zijn kop staat en laat hij ze alle twee lopen. Als kind was het ook niet eenvoudig om uit te maken wie nu de vijand was en wie de vriend. Bollie met haar Nessie woonden een tijdlang boven ons denk ik, daar waar voordien een oude madam woonde wier naam ik altijd vergeet, en die mij Poetertje noemde, en die aluminium haarknijpers had waar ik mocht mee spelen - en mijn moeder vond dat maar niets. Later woonde Bollie in het huis waar wij eerst woonden, op de gelijkvloers dus, en dan woonden Elian met haar ouders en broers en zussen daar waar Bollie eerst woonden op het eerste verdiep. Alles naast het huis van mijn grootmoeder waar ik ook dikwijls was. Het loopt allemaal door elkaar, en de relaties voor mijn neus ook. Als kind is iedereen in de directe omgeving 'vriend', ook als het niet zo is, en dat ben ik dus geleidelijk aan te weten gekomen - eerst impliciet en dan heel duidelijk expliciet: eerst neem ik het verschil waar zonder het te kunnen benoemen, later (misschien wel veel later) komt de labeling van de hele geschiedenis. Dít is vriend, dát is vijand. |
![]() |
Technieker Roger (of zo iets) zag er niet zó uit, maar een echte foto van de man in kwestie heb ik niet meer - enkel iets in mijn geheugen. Het verschil tussen object en subject wordt weer heel subtiel en verwarrend. Als ik techniekers bezig zie, heb ik er altijd bewondering voor: het object staat op een piédestal. Als ik zelf bezig was (toen ik pas was afgestudeerd), voelde ik mij niets waard. Het subject is zich bewust van zijn onkunde, van zijn gemis aan vertrouwen, en vraagt als het ware om vernederd te worden door de omgeving. Roger (of zo iets) heeft mij verschillende keren liggen gehad, of proberen te hebben; op een keer had hij mij zuiver, toen ik voor de eerste keer op het dak moest voor een antenne: ik had hoogtevrees, en hij natuurlijk niet (meer). Broekschijter, en vuilaard (omdat ik ín de goot stapte waar wat modder in stond, terwijl hij er gewoon overheen stapte op een opstaand muurtje). Zelf heb ik hem ook eens gehad, toen hij mij kwam zeggen dat ik het atelier waar ik gewoonlijk TV's repareerde moest opkuisen; ik gebaarde van krommen haas omtrent de indeling van het materiaal, en liet het hem voordoen - tot hij zo'n half uurtje bezig was en toen woedend wegliep. Als technieker kan ik met moeite aan een auto geraken, en heb ik als ingenieur geen gevoel voor de waarde van mijn diploma: eigenlijk had ik iets anders gewild - alhoewel mijn moeder mij op haar sterfbed daarvoor uitlachte; ze zei dat ik dat helemaal niet anders had gewild, en dat ik geen biologie wilde verder doen... 't Zijn rare toeren, waar ik nooit helemaal ben uitgeraakt. Vroeger haalde ik alles wat met elektriciteit te maken had uit elkaar, en wilde er alles over weten. Later wilde ik bioloog worden, om de dingen van het leven uit te pluizen, ofwel psycholoog (geen pastoor, want dan moest ik mijn belangstelling voor muizen in de grond steken). De droomscène lijkt als een simpele rondwandeling in mijn verleden, vooraan in de twintig, én, vóór ik in het leger moest voor 12 maanden om mijn land te dienen. Ná mijn studie een jaar lege tijd opvullen met ervaring opdoen in de TV's, vóór het jaar lege tijd in het leger, waar ik nota bene bij de transmissietroepen zat (morse en zenders). Daarna wilde ik een zaak opbouwen, en, moest alles gelopen zijn zoals honderd jaar geleden, met enige stabiliteit (de oorlogen niet meegerekend), dan zou het zeker gegaan zijn. Als subject ben ik als technieker liever de kat dan de muis, alhoewel ik blijkbaar graag muis speel om de kat tot pissigheid te kriebelen, waarna ik er zelf een lap kan op draaien door van gedaante te veranderen. Als ik subject ben als baas kat tegenover de muizen, dan verlies ik precies mijn kracht: heb ik eens gezien op TV. Een kat hadden ze klauwen en tanden zodanig weggehaald dat de kat ze niet meer als wapens kon gebruiken, en lieten die dan spelen met een bende muizen. De makers van het filmpje (dierenvrienden) vonden het reuzeleuk, de kat zag er eerder gefrustreerd uit (in mijn ogen). |
![]() |
Technieker Gustaaf was anders. Gwen noemde hem Opta. Ze zal misschien hebben horen spreken over Loewe-Opta, een merk van radio en TV dat toen al bestond, en waar we in Knokke nogal eens mee te maken kregen; en Gwen was toen nog heel klein, begon net te spreken. Ze had blijkbaar een categorie gemaakt voor Opta, en gooide daar de naam van de technieker bij. Gustaaf was mijn eerste slaaf, enfin, mijn eerste assistent... het lessenaasrsdak en de rommelige werkplaats refereren echter naar enkele jaren later, toon Tuur 'hielp' bij het restaureren van onze eerste winkel. De gevoelens die er rond hangen zijn complex en verwarrend. Het subject dat ontstond in die situatie wilde aan de ene kant ontsnappen aan de heerschappij van ouderlijke constrictie in mijn keel, en binnentreden in de hemel van de geslaagde middenstanders (het centrale deel van het labyrint). Het huis dat we toen huurden was enorm groot naar mijn gevoel, en een echte puinhoop, én, ik (wij) hadden nog nooit een huis gerenoveerd: gas, water, elektriciteit, ramen, plafonds en muren, etalage maken... en dus was dat ploeterwerk. Tuur woonde een eindje verder, was afgestudeerd aan de academie als beeldhouwer en kon 'goed met zijn handen werken'. Hij wilde ons helpen, gratis nog wel, en kon dat ook redelijk goed. Eigenlijk wilde ik liever doktor zijn in een of ander biologisch instituut, en niet ploeteren. Het verlangen was blijven hangen, gefixeerd en wel op vragen over het 'leven', met wortels naar de lambrisering van mijn gefantaseerd geleerdenkabinet tien jaar daarvoor in de lege kamer (10-13 jaar ongeveer), met het kool- en duivenkot van nog tien jaar daarvoor als model en grootvader, vader, nonkel... die er in rondliepen en door mij bekeken werden in kikvorsperspectief. Tuur liep nu rond in ons toekomstig paleis, tussen de vuiligheid, en ik maakte daar direct een grootvader van, met mijn ondertussen hoge status neerkijkend op het plebs van in het grijze verleden, maar nog altijd met dezelfde kikkergevoelens van toen. En Tuur, die veel werk verzette, was daar de dupe van: rommelkotvent waar gewoon gebruik wordt van gemaakt zonder waardering noch compensatie. |
![]()
|
Tuur, Gustaaf, in het kot van mijn droom, is als object een oud werkmens, in de meest letterlijke zin van het woord; ik daarentegen (25 jaar jong) in hoedanigheid van subject, voelde mij bijzonder superieur en speciaal - ik kon omgekeerd op een kerkstoel gaan zitten en een symmetrische sigaret roken; later vertelde mijn analyticus een mopje: "In het zothuis komt de directeur een rokende zot tegen in de gang en zegt: 'Weet ge niet dat het verboden is te roken in de gang?', waarop de zot antwoordt: 'Weet ge niet dat ik zot ben?'." Ik kon mij veroorloven naast de gewone man te gaan staan, en er op neer te kijken. Aan de andere kant moet het ook gezegd zijn dat ik op de foto heel stevig het hout vastpak waar mijn grootvader misschien nog aan gewerkt had, en dat ik zijn sigaret een beetje in de mond hou... Het object waar ik naar opkeek en neerkeek tegelijk was toen (en nu nog) als ambivalent subject in mijn geest aanwezig, algemeen genietend van alle aspecten ervan. De man zelf heb ik echter nooit gezien, waardevol genoeg gevonden om er als persoon mee te spreken - waarschijnlijk omdat ik nog niet geleerd had om onderscheid te maken tussen object en subject, en, omdat niemand het mij had geleerd. Alles ging gewoon vanzelf, zonder reflectie of consideratie voor mezelf noch voor de ander. Nu, 40 jaar later, merk ik hoe frustrerend het is om mensen die ik lief hebt te zien voorbijgaan alsof ik zelf een oude rommelbak ben. Dan zie ik het ook eens van de andere kant. Ik kan het mijzelf verwijten dat ik mij niet meer ingespannen heb om een vorm van erkenning of dank of liefde te betuigen aan die ouderen, of de bal in hun kamp leggen, dat ze het mij niet geleerd hebben. Misschien moet ik het wel niemand verwijten. Mijn grootvader zei altijd: "Het verstand komt niet voor de jaren, en als ge het te vroeg hebt is het er ook maar naar". Ik zal mij beperken tot het opschrijven van wat ik subjectief waarneem en waargenomen heb in de loop van de geschiedenis, voor het psychische comfort van wie volgt. Misschien ook werken spiegelneuronen perfect in de richting van wie liefheeft naar de persoon die geliefd wordt, maar wordt het liefhebben niet gekopieerd... Het is trouwens ook niet de bedoeling dat de jongskens leren hoe de ouden moeten dansen nietwaar. Misschien is het ook zo dat de stafhouder zijn/haar stok slechts doorgeeft aan de volgende in lijn, nadat hij/zij zijn/haar einde voelt naderen, en dat tot die tijd enige vorm van macht van boven naar onder de zaak in evenwicht houdt. Als ik iets voor mijn kleinkinderen wil doen, dan doe ik dat ook ten volle, zonder verlangen naar compensatie, maar als ik zie dat mijn macht over hen wordt gereduceerd tot nul, met andere woorden, dat mijn staf niets meer waard is, dan houdt alles op. |
![]() |
Doolhof (labyrint) van Loppem, waar ik eens met de school (schoolreis nietwaar) naartoe ben geweest (3e of 4e studiejaar, met Meester Gilbert, die mij beu was). Er staat een mooie tekst bij de foto:
Als ik het woord "labyrinth" op Google zoek, komen er heel wat religieuze en spiritueel getinte sites uit... Het is een aspect dat ik vergeten was, of nooit echt goed bekeken heb. Mooi aan het getoonde doolhof is dat er een boom in het midden staat, het symbool van de staf des levens, de totem, de wortels van mijn verleden. Ik voel mijzelf daar nog tussen de hagen lopen, hagen die hoger waren dan ik op dat moment nog maar was, en zonder overzicht van de situatie dus. Alle hagen zijn ongeveer gelijk, en referentiepunten zijn er bijna niet - je moet al bijna onthouden waar je naar links of naar rechts bent afgeslagen, en na een paar bochten ben je totaal het noorden kwijt. Het is een mooi symbool voor 'op den dool zijn', niet wetende waar naartoe; uiteindelijk ben ik wel tot bij de boom geraakt, met gissen en missen - en ik voelde mij verplicht om tevreden te zijn. Of dat ik er alleen weer ben uitgeraakt of dat een meneertje van de tent mij heeft komen redden op het einde van de tijd die we gekregen hadden, weet ik niet meer. "Een goed christen" zou overzicht over zijn/haar leven (verleden, huidig en toekomstig) moeten hebben, zeker als je naar een christelijke school gaat met vertakkingen, bindingen en netwerken in de maatschappij (die dus goed weten waar Abraham de mosterd haalt), maar, mijn moeder moest van die gerokte mannen niet te veel hebben, en al zeker niet als ze rond mijn gat begonnen te draaien. Een en ander kan natuurlijk ook omgekeerd geweest zijn: dat ik rond hún gat begon te draaien omdat mijn moeder mij niet moest hebben (of omgekeerd). Ik was dus geen goed christen (dacht ik), en liet mij niet omhoog steken om boven de muurtjes te kunne kijken, een overzicht te verwerven, en zelf te kiezen met mijn volle verstand, waar ik naartoe moest. De eerste broeder die mij opstak om iets op zolder boven op een nog hoger gelegen platform te bekijken (iets?), schoot toevallig met zijn hand in mijn broekje en had mijn stafje vast. Toch eigenaardig, vond ik, dat iemand's hand zo onhandig kon zijn (rond de tijd van het doolhof). De christenen zochten dus steun bij mijn staf, in plaats van de hunne aan te bieden om naar op te kijken - en ze deden dan nog alsof hun neus bloedde ook. Ik heb lang gedacht dat het was omdat mijn ouders van te 'lage' komaf waren, en dat ze het daarom de moeite niet vonden om mij te steunen in mijn persoonlijke strevingen, maar dat bleek later niet eens zo te zijn: die broederschap kende mijn vader bij naam (uiteraard) en toenaam, omdat hij nog deel had uitgemaakt van hun voetbalploeg, en dat hij daar voor goede punten had gezorgd; flinke man, uw vader... maar ikzelf was ondertussen naar een staatsschool geweest voor mijn hogere studies, en ik moest het maar weten - waarschijnlijk ook omdat ik afvallig was geweest van hun voorstel om broeder te worden. Mengelmoes van gevoelens: in het midden staat de boom des levens, maar op de bankjes er rond zitten geen madammen, en waar madam mijn moeder aanwezig was, zaten er geen stoute jongens. Je kunt kiezen tussen de beschimmelde kelder rechts en grootmoeder's living links, waarmee alle centrale geneugten van het leven de boom in kunnen. Het is dat rare gevoel van heel je leven naar een centraal punt te zoeken, om uiteindelijk te vinden dat er helemaal niets is in het midden: een zwart gat, waar je alleen maar kunt invallen om nooit meer terug te keren, of waar je ver vandaan moet blijven. Uiteindelijk kan ik in de droom enkel van links naar rechts gaan, en van rechts naar links, om telkens nergens uit te komen. Er is alleen die Tudordeur van de WC of van het koolkot van mijn grootvader: van uit de geschiedenis therapie geven aan mensen die blijkbaar ook ergens onbewust van zijn, en er toch in vastzitten. Het subject is in het ondergrondse Labyrinth blijven hangen, het Heilige der Heiligen vererend, wel wetend dat het altijd bleek wordt als iemand een kaars aansteekt om te kunnen zien wat er te zien valt. |
![]() |
Het laatste stuk van de droom gaat over liefde voor vrouwen en mannen, eigenlijk 't zelfde van het labyrint, maar anders voorgesteld. Mijn subject is enkel aanwezig als mikpunt van homoseksuele overdracht. De chimpansee hiernaast staat voor de vrouw in het vizier van de homo's. Er is niets aan te beleven, het is een ondergeschikte soort waar jacht mag op gemaakt worden en die mag gebruikt worden in dierproeven. De roze schedel in het midden is natuurlijk een Homo, die aan de chimpansee geplakt is voor het leven, maar die verlangt om bij de echte Homo's met hun grote kop te geraken. Het is het eigenlijke subject in de droom, dat als object voor het bewust geworden gedeelte van het subject bestudeerd wordt als hebbende homoseksuele gevoelens tegenover mij. In de droom lijkt het alsof 'ik' begeerd wordt door Patrick, en dat hij daar niet voor wil uitkomen en mij daarom veracht. Het zit er dik in, dat ik, als verlangend ventje(m/v) verplicht wordt te veranderen in een homo om te kunnen toetreden tot de broederschap van de dikkoppen, en dat ik dat vertik; of, dat ik het leuk vind dat de broeder in mijn broekje zit, maar dat ik er niet durf op ingaan, omdat de chimpansee dan kwaad zal zijn, en mij laten vallen. Freud noemt homoseksualiteit (gesublimeerd) ergens de basis voor sociaal gedrag. In sublimering geloof ik niet zo erg, maar wel in verdringing van gevoelens, die dan uit het zicht verdwijnen en aan de oppervlakte komen in welke vorm dan ook die ze kunnen aannemen zonder dat ze als dusdanig herkend worden. Als ik niet met het geweer van mijn vader mag schieten, en ook niet op zijn duivenkot mag komen, en bovendien ook niet op zijn schoot mag zitten, dan moet ik heimelijk verlangen naar een andere vader (in de hemel bijvoorbeeld), en verleidend toenadering zoeken tot zijn vervangers op aarde, die dan in een complementaire relatie op het aanbod ingaan en mij inlijven - nog net niet in hun lijf opgenomen, maar 't scheelde niet veel. Complementair was de houding van de broeders ook tegenover mijn moeder. Zij verachtte hen om hun succes, en de broeders misprezen alle vrouwen omdat ze de mannen vast willen houden met hun vagina. Van beide kanten werd mijn verlangen verzuurd, en bleef er enkel in het midden een leeg verlangen over. Mijn moeder trouwens wilde ook niet dat er meisjes in de buurt kwamen: als er eentje te dicht kwam was het al direct gemeen en ziekelijk volk, te mijden, zoals vroeger op de censuurbriefjes stond aan de kerk voor wat betreft de films die werden gedraaid in Knokke. Het hele subject in de droom staat centraal in de leegte te verlangen naar vervulling die maar niet wil komen, en waarvan ik nu weet dat die ook nooit zal komen. Wat vroeger (en voorbij is) in mijn lijf en gevoel werd gebrand, geraakt er nooit meer uit. Verlangen blijft verlangen, en geen enkele bevrediging is in staat daar ook maar een millimeter aan te veranderen. Het enige dat ik er kan mee doen - en ook doe - is daar leren mee leven: het is nu eenmaal zo. Uit christelijke frustratie wordt hier een soort boeddhistische verlichting geboetseerd, via psychoanalytische bewustwording. |
![]() |
SequensHet traject dat wordt afgelegd kan geïnterpreteerd worden als een topologische verplaatsing én als een reis in de tijd. Alles wordt uitgerafeld tot in details, verschoven en verdicht zoals het uitkomt in het kader van de dagrest en de gevoelsgeladen lichamelijke constitutie van het moment (van wat er bovenkomt, aan de beurt is om verwerkt te worden zeg maar), en wordt beleefd door de subjecten die als ik of als ventje(m/v) worden opgevoerd, in een kader van objecten die het subject vorm en gestalte geven, gelabeld en wel om er desgewenst te kunnen over spreken achteraf (of al in de droom zelf). Op de foto zijn de ventjes allemaal te zien: ze lijken allen op elkaar, maar zijn verschillend in grootte, suggestie voor plaats in de hiërarchie én opeenvolging in de tijd. De tekst die er bij staat begint als volgt:
In mijn latijns woordenboek staat sequens niet, maar wel sequentia, in de laat latijnse betekenis van reeks, opeenvolging - van sequor (volgen, begeleiden, achtervolgen, aanhangen...). Rare combinatie. Om toch maar zeker te zijn van de zaak, gaan we nog eens kijken bij een andere bron:
In mijn Prisma 'Vreemde Woorden' boek uit 1955 staat het volgende:
Sequens sluit ook mooi aan bij het Engelse sequence, met analoge betekenissen. Ik was eventjes in twijfel om bijvoorbeeld over te schakelen op sequentie, maar we houden het netjes bij sequens. Dus, hoe zit de sequens in elkaar, de opeenvolging van de afzonderlijke scènes (in de betekenis van bewustzijnsmomenten). Ik denk hierbij vooral aan de hersensynchronisatie voorgesteld door Varela en Maturana en waarover elders in deze teksten geschreven werd. Ieder moment van bewustzijn en gerichte (gemotiveerde) handeling (uitgevoerd als dusdanig of gefantaseerd) gaat gepaard met een organisatie binnen onze neuronenpopulatie; een aantal subjecten [ventjes(m/v)] ageren in een omgeving gedefinieerd door een aantal objecten (symbolen), waarna een verplaatsing in tijd en ruimte wordt ondernomen: een niet gesynchroniseerde zoektocht, of het samenrapen via evolutie (zie Calvin) van de nodige onderdelen om het geheel in een nieuw bewustzijnsmoment binnen te leiden. Dus.
Temporele sequens: De droom - mijn geest - is 's nachts bezig met het verwerken van de indrukken uit het bio-sociaal weefsel waar ik deel van uitmaak; een en ander moet gelinkt worden aan de categorieën die er al zijn, of, om het met een metafoor uit te drukken: het binnengekomen materiaal moet gerangschikt worden, en opgeborgen in de kastjes die ervoor geïnstalleerd werden; en dat gebeurt duidelijk niet per voorwerp of tijdseenheid, maar per kenmerk en in samenhang met hetgeen ervoor en erna is gebeurd. Alles wordt uiteen gehaald, als ware het voedsel dat verteerd wordt in bruikbare moleculen die al dan niet opgenomen worden door gespecialiseerde cellen... In het appartement van mijn droom, de plaats waar ik mij nu bevind, worden enkele elementen binnengehaald (dagrest) en in scène gezet. Er is al direct het seksuele aspect - de zin van mijn bestaan op aarde als schakel in het ontvangen en doorgeven van leven; een welbepaalde vorm van samenlevende cellen die er voor zorgt dat zijn organisatie verder gezet wordt. Freud had het dikwijls over seksualiteit als een vorm van libido (psychische energie), in zoverre dat libido al bijna gelijk staat aan seksuele energie. Toch had Freud libido breder gedefinieerd:
Daar hebben we dus libido als een vorm van energie... Energie die omgezet kan worden naar materie en omgekeerd (Einstein). Ergens past daar bewustzijn in. David Chalmers stelt het bewustzijn op dezelfde lijn als materie en energie, alle drie geplaatst in een ruimte/tijd kader. Ik heb dat al dikwijls vernoemd in wat ik al geschreven heb, en het is mijn poging om het libidobegrip iets uit te breiden naar het gebied van bewustzijn, optredend (emergerend) bij doelgerichte synchronisatie van een grote groep neuronen (cellen!) om het organisme als geheel van moment tot moment en telkens opnieuw een zinvolle actie te laten ondernemen. Het is duidelijk dat seks à la carte het lekkerste is wanneer de deelnemende partners gesynchroniseerd hun hoogtepunt bereiken, waarbij dan gezegd wordt dat ze één worden en zo van die dingen; het is alsof er een intersubjectief subject ontstaat. Ik zou het fenomeen graag uitbreiden naar intersubjectieve activiteiten waarbij neuronen (cellen!) in fase (gelijktijdig) vuren, en er een gevoelscontact ontstaat tussen de deelnemende personen - dus niet alleen als het om seks gaat. Aldus past het woord libido bij een hoeveelheid energie gebonden aan een georganiseerde groep cellen die er naar streeft zoveel mogelijk één te worden - en dat kan evengoed seksueel zijn als qua subject. Libido is dan de psychische energie die er voor zorgt dat gedachteprocessen, perceptie, verbeelding, geheugen, seksuele noden en de drang naar meer bewustzijn... kunnen plaatsvinden. Allemaal om te zeggen dat ik een 'drang naar meer bewustzijn' vooropstel, veronderstel, meen waar te nemen in mijn leefwereld. En, eigenlijk zou je al bijna zeggen dat de meeste mensen hun uiterste best doen om helemaal niets bewust te worden, en dat ze zich uit alle macht verzetten tegen elke poging van buitenaf om daar ook maar enige verandering in teweeg te brengen - zoals in therapie, waar dat fenomeen 'weerstand' wordt genoemd. Weerstandjes komen veelvuldig voor in elektronische schakelingen, naast condensatoren, spoeltjes, transistors, chips en zo van die dingen. Aldaar vervullen ze een functionele rol voor het tot stand komen van de goede werking van het systeem: ze laten een bepaalde hoeveelheid stroom door, afhankelijk van de spanning. Weerstand kan ook gedefinieerd worden aan de hand van tegenstand tegen verandering, of handhaving van de huidige toestand, toestand die werd ingesteld door de eeuwen heen, en die duidelijk zijn duur bevochten ervaring wil handhaven; kwestie van overleven, zeg maar. Bij deze definitie zitten we al aardig in de buurt van het systeemdenken, met als basis het controlesysteem uit pagina "Dubbele Poort". Nu heb ik schijnbaar twee begrippen door elkaar gehaald: bewustwording en verandering. Echter blijkt uit de analytische ervaring dat bewustwording ogenblikkelijk leidt tot op zijn minst het in vraag stellen van de huidige toestand, en veelal deze toestand destabiliseert en uiteindelijk omver werpt. Als ik ín een bepaald systeem zit als deelnemer, word ik omringd door naïeve objecten: dingen die ik als vanzelfsprekend om mij heen accepteer als "hoe zou het anders moeten zijn?". Als ik als waarnemer naar dat systeem van daar pas kijk, en ik kan er over spreken in termen van kritische objecten, dan zet ik alles al direct af tegen een meer socio-culturele achtergrond, misschien wel tegen een wetenschappelijke achtergrond als ik praat met een kritisch publiek... Nu wordt het weer erg moeilijk... F. Heylighen plaatst reflexief bewustzijn net onder 'first-person experience' (eerste-persoon ervaring) in de hiërarchie van het bewustzijn. Hierboven suggereer ik dat ervaring vanuit de eerste persoon (ik) ónder het kritisch/reflexief bewustzijn zou te plaatsen zijn: als ik mij bewust word van iets, kijk ik er naar van op afstand, en zelfs alsof het was door de ogen van iemand anders, anders is de kans groot dat ik er mij niet eens bewust van ben. Komt het voorbeeld van de in een schoendoos opgekweekt kind weer goed van pas. Als ik in die schoendoos ben opgegroeid, neem ik als vanzelfsprekend aan dat de grenzen van het heelal bestaan uit karton - eventueel bekleed met een beetje zacht aanvoelend knisperend dun papier. Voorbij die grens kan ik niet kijken, en die ook niet vergelijken met een ander soort grens daarbuiten. Als ik er in slaag uit de doos te geraken, en ik kijk er naar, dan kan ik direct de dikte van het karton, de beperktheid van mijn vroegere wereldbeeld met alles er op en er aan in vraag stellen en erover spreken met andere stervelingen: mijn terrein voor bewustzijn is verruimd, ook als dat niets verandert aan mijn vermogen tot 'eerste-persoon ervaring' of bewustzijn vanuit een 'ik'. In die zin wordt bewustzijn iets als 'weten', 'zicht hebben op', terrein waarop ik samen met anderen als sprekend kan rondlopen en waarover ik kan na-denken (reflecteren). Waarschijnlijk is het 'eerste-persoon bewustzijn' (zoals het ik in de droom) primitiever dan het reflecterend bewustzijn en/of het aan de werkelijkheid gekoppelde interactieve bewustzijn in wakkere toestand. Misschien is in het droombewustzijn geen reflectie aanwezig, en wordt het bewust worden in de droom (lucide droom) gekoppeld aan het toch opduiken van de overkoepelende waarnemer in ons hoofd, het tweede bewustzijn dat waarschijnlijk gekoppeld is aan wat men spiegelneuronen is gaan noemen, en die alles te maken hebben met intersubjectieve activiteiten en gewaarwordingen. Om toch nog maar een beetje verder te fantaseren: in een intersubjectieve situatie word ik bewuster genoemd, maar verlies ik waarschijnlijk aan 'eerste-persoon bewustzijn', dat overgenomen wordt door het overkoepelende bewustzijn (wij), en is er misschien sprake van een eerste stap in een metasysteem transitie, waarbij een super-ik ontstaat, waar ik als deelnemend persoon geen weet meer van heb... (omdat ik tegen de grens van de doos aankijk). Enfin. Eigenlijk moet ik het hebben over de droomsequens. Freud schrijft in zijn inleiding bij de Droomduiding (Ref. 24) dat iemand anders heeft gesuggereerd dat de gelijktijdige, parallelle droomervaring bij het ontwaken achteraf in een logische reeks qua tijd en plaats uiteengerafeld wordt, omdat wij niet in staat zijn de samengeklonterde gewaarwordingen van de droom anders dan sequentieel (en rationeel) weer te geven. Interessant voorstel. Ook vinden we daar bij Freud een opmerking over het schijnbaar erg korte tijdsbestek van een hele droomsequens, terwijl we daar al vertellend een heel verhaal uithalen (Ref. 23). En nu we toch bij Freud zijn, in de Droomduiding... Hij schrijft net voor de droom 'Injectie van Irma' nog iets over het verschil tussen vrije associatie (Ref. 25) en kritisch nadenken. In beide gevallen nemen we onszelf waar (reflectie), maar bij vrije associatie is er geen censuur. Naar mijn gevoel is vrije associatie een soort tussenvorm tussen eerste-persoon bewustzijn (ín de actie zitten) en na-denken met kritiek gerelateerd aan de buitenwereld (het medium). Om dan Lacan er nog eens bij te nemen, die beweert dat het onbewuste gestructureerd is als een taal (Ref. 26), En W. Calvin, die veronderstelt dat het ontstaan van gedachten, beelden, ..., verloopt langs evolutionaire weg, maar dan in milliseconden (Ref. 27), En F. Varela, die consecutieve momenten van gesynchroniseerd bewustzijn vooropstelt (Ref. 28), Is het dan mogelijk in de droomsequens een bewustwording waar te nemen die telkens neerkomt op het doorlopen van de verschillende bewustzijnstrappen voorgesteld door F. Heylighen (Ref. 29), mits verwisseling van zijn hoogste twee trappen? Freud beschouwt de droom als een wensvervulling. Ik zou de droom liever definiëren als het formuleren van een bewuste sequens die na het ontwaken direct impliciet kan gebruikt worden, of, indien er over wordt nagedacht en/of gesproken, expliciet het terrein waarover gereflecteerd kan worden vergroot. Die reflectie wordt onbewust als feedback in de volgende droomsequensen opgenomen. Als het object van verlangen een groter bewustzijnsterrein zou zijn, dan is de droom nog steeds een wensvervulling, maar dan wel een die blijft doorwerken gedurende de dag. Als ik de sequens van hierboven bekijk (appartement, garage, koolkot..., en dan terug naar het heden, dan moet het duidelijk zijn dat alle actuele materiaal afgezet wordt tegen steeds verder in de tijd teruggaande belevenissen en associaties (de Judestraat is de oudste) om dan een synthese in het heden te formuleren. Het zou interessant zijn om na te gaan of een gesproken zin op dezelfde manier tot stand komt als een droomsequens, en dat we er eigenlijk ook het kijken naar hebben: een impliciete droom die woordelijk omschreven wordt met verglijdende pointer-symbool en pointer-pointer manipulatie (in die volgorde), waarbij de laatste bijzonder dient om de innerlijke waarheid geweld aan te doen ten voordele van wat de gesprekspartner (reëel of virtueel) verwacht of bijstuurt via spiegeling. |
|
|
|
|
A. Syberg, Belgium
Copyright © 2006 A. Syberg
|